Steeds meer voormalige Oostbloklanden bedanken voor het Eurovisiesongfestival. Het ‘homo-festijn’ strookt niet met de conservatieve, christelijke waarden. Het past in een klimaat waarin lhbti’ers als een plaag worden behandeld.

Het Eurovisiesongfestival, komend voorjaar in Rotterdam, zal het moeten doen zonder de deelname van twee Oost-Europese landen. Deze week werd duidelijk dat het Hongarije van de rechts-nationalistische premier Viktor Orbán zich terugtrekt uit de wedstrijd, volgens onbevestigde bronnen omdat het festival te veel een homoseksueel feestje zou zijn geworden. Eerder meldde Montenegro zich – naar eigen zeggen om financiële redenen – af.

Het is geen geheim dat de regering van Orbán niks moet hebben van gelijke rechten voor lhbti’ers. László Kövér, parlementsvoorzitter en een vertrouweling van de premier, vergeleek de adoptie van kinderen door homokoppels al eens met pedofilie. Deze week kwamen daar de woorden bij van een bekende tv-commentator, tevens hoofdredacteur van een pro-regeringsblad, die het Songfestival een ‘homoseksuele flottielje’ noemde en een gevaar voor de ‘mentale gezondheid’. In een reactie twitterde de liberale Europarlementariër Guy Verhofstadt dat ‘zelfs Poetin meer terughoudendheid bij zijn homofobie’ tentoonspreidde.

Hongaars poptalent

MTVA, de publieke omroep in Boedapest, hulde zich wekenlang in stilzwijgen over de precieze redenen voor de terugtrekking, en meldde uiteindelijk dat men het geld liever steekt in de begeleiding van ‘Hongaars poptalent.’ Van die bewering bleef weinig over toen anonieme MTVA-medewerkers lieten uitlekken dat het wel degelijk een ideologisch besluit was geweest. Echt een verrassing is dat niet: de bevoegde minister ziet het verbreiden van ‘nationale, christelijke waarden’ als zijn topprioriteit.

Daarmee dreigt het Eurovisiesongfestival, en lhbti-rechten in het algemeen, een nieuw strijdtoneel te worden in de geregeld opflakkerende cultuurclash tussen West- en Oost-Europa. Na de val van de Berlijnse Muur, precies dertig jaar geleden, was er alle reden om te geloven dat het liberale denken geleidelijk zou postvatten in de ex-communistische landen. Het tegendeel tekent zich af: in Polen en Hongarije moeten vluchtelingen, kritische ngo’s en lhbti’ers het juist ontgelden.

Dinsdag debatteerde het Europees Parlement in Straatsburg over de groeiende haat tegen lhbti’ers, waarbij met name Polen flinke kritiek te verduren kreeg. Het regeringsgezinde tijdschrift Gazeta Polska deelde deze zomer stickers uit met een doorgekruiste regenboogvlag, plus de woorden ‘lhbti-vrije zone’. Een rechter verbood de verspreiding, maar toen was de toon al gezet. Een handvol grote provincies, samen goed voor een vijfde van de totale bevolking, verklaarde hun grondgebied ‘vrij van lhbti-ideologie’, zonder duidelijk te maken wat dat precies voor lhbti’ers betekende. Op sociale media verklaarden jonge Polen zich solidair met de populaire hashtag #jestemLGBT (‘ik ben lhbti’). Regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid (PiS) spon garen bij de hele affaire, in de aanloop naar de parlementsverkiezingen van deze herfst. De aartsbisschop van Krakau deed een duit in het zakje door de ‘regenboogplaag’ gelijk te stellen aan het communisme en nazisme.

‘Al 43 jaar leef ik in een land waar termen als ‘homoterreur’, ‘promotie van homoseksualiteit’ en ‘lhbti-ideologie’ worden gebruikt om mij te beschrijven’, reageerde de sociaaldemocratische Europarlementariër Robert Biedroń, zelf openlijk homo. Biedroń verwees naar een restaurant in Krakau dat de sticker op de deur plakte, ten teken dat lhbti’ers er niet welkom zijn. De fractie van PiS probeerde zich in Straatsburg te verdedigen met de stelling dat Polen het recht heeft te ‘vechten’ voor het ‘traditionele gezinsmodel’. Volgens Beata Kempa (PiS) vinden er tijdens pride-marsen ‘brute aanvallen’ plaats op ‘christenen, de clerus en symbolen van het christendom’.

Rozenkransen

Hoezeer de sfeer in Oost-Europa aan het kantelen is, bleek eerder deze maand tijdens de jaarlijkse onafhankelijkheidsmars in de Poolse hoofdstad Warschau. Op een rotonde in het centrum gingen tienduizenden betogers met rozenkransen samen in gebed. Daarop volgde een toespraak van Paul Cameron (80), een fanatieke en omstreden anti-homolobbyist uit Amerika. ‘Dappere Polen hebben Europa van de islam gered’, sprak hij op uitnodiging van de extreemrechtse organisatoren, ‘nu zullen ze ons redden van de dodelijke lhbti-invasie.’

Liberale tegenkrachten in de Midden- en Oost-Europese lidstaten zijn er genoeg, maar hebben het tij niet mee. Waarom? Een veelgeciteerde verklaring komt van Ivan Krastev, een Bulgaarse schrijver en intellectueel. Zoals het communisme er niet in slaagde één orthodoxie op te leggen, schetst hij in zijn nieuwste boek, Falend licht, zo roept ook het liberalisme veel weerstand op. De nieuwe lidstaten werden vanaf de jaren negentig uitgenodigd om het westerse model te imiteren, een spelletje kameleon-spelen dat volgens Krastev wel moest eindigen in telleurstelling en wraakzucht. Terwijl het liberalisme als ‘enige alternatief’ gepresenteerd werd en er instituties werden opgetuigd naar westers voorbeeld, zagen veel Midden- en Oost-Europeanen de corruptie en ongelijkheid groeien.

Op die voedingsbodem kunnen populistische leiders als Viktor Orbán (Hongarije) en Jaroslaw Kaczyński (Polen) gedijen. Ze profileren zich als beschermers van het gezin, en delen allerlei fiscale en sociale voordeeltjes uit om het krijgen van meer kinderen te bevorderen. Vanwege het lage geboortecijfer ligt het thema lhbti extra gevoelig. Tel daarbij op de leegloop van hoogopgeleiden uit landen als Hongarije en Roemenië, en je begrijpt de nervositeit. Het enige antwoord op de huidige demografische trend, zei Orbán eerder dit jaar, is een wederopleving van het christendom in Europa. En die vindt niet plaats op het Eurovisiesongfestival.”

Bron: https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/lhbti-vriendelijk-songfestival-is-strijdtoneel-in-de-cultuurclash-tussen-west-en-oost-europa~bfcc2166/